Derden en gedeelde locaties
## Wat speelt hier Op gedeelde locaties werken meerdere werkgevers, ingeleend personeel, onderaannemers en soms bezoekers door elkaar, terwijl er meestal maar één noodorganisatie op de site actief is. Denk aan een bedrijfsverzamelgebouw, een bouwplaats met meerdere onderaannemers, een distributiecentrum met uitzendkrachten of een productielocatie waar een externe monteur op de vloer werkt. Het risico is dat bij brand, een ongeval of een ontruiming niemand weet wie waar aanwezig is, wie de bedrijfshulpverlening (BHV) coördineert en wie welke instructie moet opvolgen. Een veelvoorkomend probleem is dat de hoofdgebruiker of hoofdaannemer een BHV-organisatie heeft ingericht voor het eigen personeel, maar niet heeft vastgelegd hoe die organisatie zich verhoudt tot BHV'ers van andere bedrijven op dezelfde locatie. Wie neemt de leiding bij een incident als er twee of drie BHV-teams van verschillende werkgevers rondlopen? Is er één alarmeringsprocedure, of heeft elk bedrijf zijn eigen belnummer en eigen verzamelplaats? Zonder afstemming ontstaat verwarring precies op het moment dat snelheid en duidelijkheid het hardst nodig zijn. Een tweede risico zit in de aanwezigheidsregistratie van derden. Ingeleend personeel, leveranciers en bezoekers worden bij een ontruiming vaak vergeten, omdat zij niet in de reguliere presentielijst of toegangsregistratie van de hoofdgebruiker staan. Ook de kennis van vluchtwegen, verzamelplaatsen en het ontruimingsalarm is bij tijdelijke aanwezigen doorgaans lager dan bij vaste medewerkers, terwijl zij dezelfde risico's lopen. ## Wat u moet doen - Breng in kaart welke partijen structureel of tijdelijk op de locatie aanwezig zijn en wie van hen een eigen BHV-organisatie heeft. - Wijs één verantwoordelijke partij aan die de coördinatie van de noodorganisatie op de gedeelde locatie op zich neemt, bijvoorbeeld de hoofdgebruiker, eigenaar of hoofdaannemer. - Stem alarmerings-, ontruimings- en communicatieprocedures tussen alle aanwezige partijen op elkaar af en leg dit vast in één document dat voor iedereen geldt. - Richt gezamenlijke voorzieningen in: één centraal alarmeringssysteem, eenduidige verzamelplaatsen en herkenbare vluchtwegaanduiding die voor alle gebruikers hetzelfde is. - Regel dat aanwezigheid van derden, ingeleend personeel en bezoekers actueel en op elk moment opvraagbaar is, zodat bij een ontruiming een volledig beeld bestaat van wie zich op de locatie bevindt. - Instrueer iedere derde partij bij aanvang van de werkzaamheden over de geldende noodprocedure, de verzamelplaats en de wijze van alarmering. - Organiseer periodiek een gezamenlijke ontruimingsoefening met alle betrokken partijen en leg de bevindingen en verbeterpunten vast. - Controleer regelmatig of de afspraken nog aansluiten bij de actuele situatie, bijvoorbeeld na wijziging van huurders, aannemers of indeling van de locatie. ## Toetsbare aspecten - **Coördinerende partij benoemd** — er is één aanwijsbare verantwoordelijke voor de noodorganisatie op de gedeelde locatie. Bewijs: schriftelijke aanwijzing of samenwerkingsovereenkomst. Frequentie: bij wijziging van gebruikers of jaarlijks te bevestigen. - **Afgestemd ontruimingsplan** — er is één ontruimingsplan dat voor alle partijen op de locatie geldt, met eenduidige alarmering en verzamelplaats. Bewijs: het plan zelf, gedeeld met alle gebruikers. Frequentie: jaarlijkse actualisatie of bij wijziging van de locatie. - **BHV-bezetting afgestemd tussen partijen** — vastgelegd is hoeveel BHV'ers per partij aanwezig zijn en hoe zij samenwerken bij een incident. Bewijs: overzicht BHV-bezetting per bedrijf, afsprakenlijst. Frequentie: bij personeelswijziging, minimaal jaarlijks gecontroleerd. - **Actuele aanwezigheidsregistratie** — op elk moment is te achterhalen wie zich op de locatie bevindt, inclusief ingeleend personeel en bezoekers. Bewijs: toegangsregistratie, bezoekerslijst, inleenoverzicht. Frequentie: continu bijgehouden, steekproefsgewijs gecontroleerd. - **Instructie van derden bij aanvang werk** — nieuwe aannemers, uitzendkrachten en bezoekers ontvangen instructie over vluchtroutes en alarmering voordat zij aan het werk gaan. Bewijs: ondertekende instructieformulieren of introductiechecklist. Frequentie: bij iedere nieuwe partij of opdracht. - **Herkenbare en uniforme vluchtroutesignalering** — bewegwijzering en verzamelplaatsaanduiding zijn voor alle gebruikers gelijk en overal zichtbaar. Bewijs: waarneming op de werkplek, plattegronden bij ingangen. Frequentie: bij inspectieronde, minimaal jaarlijks. - **Gezamenlijke ontruimingsoefening uitgevoerd** — alle partijen op de locatie hebben deelgenomen aan een gezamenlijke oefening. Bewijs: evaluatieverslag met datum, deelnemerslijst en verbeterpunten. Frequentie: minimaal jaarlijks. - **Contactgegevens en meldpunt actueel** — de contactlijst van BHV-coördinatoren per partij en het centrale meldpunt zijn actueel en bekend bij alle gebruikers. Bewijs: actuele contactenlijst, zichtbaar opgehangen of digitaal beschikbaar. Frequentie: halfjaarlijkse controle op actualiteit. ## Veelvoorkomende knelpunten - Het ontruimingsplan bestaat op papier, maar nieuwe huurders of aannemers zijn er nooit over geïnformeerd. - Ingeleend personeel en tijdelijke werknemers staan niet in de aanwezigheidsregistratie en worden bij een oefening gemist. - BHV'ers van verschillende bedrijven kennen elkaar niet en weten niet wie bij een incident de leiding neemt. - Afspraken tussen hoofdgebruiker en onderhuurders zijn mondeling gemaakt en nergens vastgelegd, waardoor ze bij personeelswisseling verloren gaan. - Oefeningen worden alleen door de hoofdgebruiker georganiseerd, zonder de andere partijen op de locatie te betrekken. - Vluchtwegaanduiding verschilt per bedrijfsruimte, waardoor bezoekers en tijdelijke medewerkers de verzamelplaats niet herkennen. ## Hoe u het borgt De coördinerende partij op de locatie houdt periodiek, bij voorkeur jaarlijks en bij elke wijziging van gebruikers, het ontruimingsplan en de BHV-afspraken tegen het licht en past deze aan waar nodig. Nieuwe huurders, aannemers en ingeleend personeel worden standaard bij aanvang geïnstrueerd en opgenomen in de aanwezigheidsregistratie, zodat niemand buiten beeld blijft. Afwijkingen die uit een oefening of een daadwerkelijk incident naar voren komen, worden vastgelegd en leiden tot een concrete aanpassing van de procedure. Zo blijft de noodorganisatie op een gedeelde locatie werkend en aantoonbaar op orde, ook wanneer de samenstelling van gebruikers regelmatig wijzigt.
Risico's
- Noodvoorzieningen niet afgestemd op gezamenlijke bezetting — Op een gedeelde locatie kan de noodorganisatie zijn ingericht voor de vaste werknemers van één werkgever, terwijl ook werknemers van andere bedrijven, uitzendkrachten, onderaannemers, leerlingen, leveranciers en bezoekers aanwezig zijn. Daardoor kunnen de capaciteit, ligging en bereikbaarheid van noodvoorzieningen niet passen bij het werkelijke aantal aanwezigen en de verspreiding over het terrein of gebouw. Bij een ongeval, brand of ontruiming kan vervolgens onduidelijk zijn welke voorzieningen voor welke zones en aanwezige partijen beschikbaar zijn. Ook kan de bezetting per dienst, projectfase of onderhoudsstop sterk veranderen zonder dat de noodorganisatie daarop wordt aangepast. Dit vergroot de kans dat hulpverlening laat op gang komt, aanwezigen niet tijdig worden bereikt of een voorziening tijdens een incident niet praktisch bruikbaar blijkt. Tijdelijke aanwezigen zijn extra kwetsbaar doordat zij de locatie, signalen en noodprocedures minder goed kennen. Iedere werkgever blijft verantwoordelijk voor de veiligheid en gezondheid van de eigen werknemers en moet daarom controleren of de gezamenlijke inrichting hun feitelijke werksituatie dekt. De locatiebeheerder of coördinerende partij moet wijzigingen in bezetting en werkzaamheden tijdig verwerken. Zonder gezamenlijke uitgangspunten kunnen afzonderlijke, op zichzelf bruikbare regelingen naast elkaar bestaan, maar bij een incident toch tekortschieten.
- Onduidelijke toegang van derden tot eerste hulp — Op een gedeelde locatie kunnen werknemers van andere werkgevers, uitzendkrachten, onderaannemers, leveranciers en bezoekers niet weten waar zij eerste hulp kunnen krijgen of hoe zij een eerste-hulppost bereiken. De eigen organisatie kent de locatie en toegangsregels meestal wel, maar tijdelijke aanwezigen beschikken niet altijd over dezelfde informatie, sleutels of toegangsrechten. Een eerste-hulppost kan daardoor feitelijk onbereikbaar zijn achter een afgesloten deur, toegangspoort of scheiding tussen gebruikszones. Ook kan onduidelijk blijven of derden de post zelfstandig mogen gebruiken en wie hen bij een incident begeleidt. Dit veroorzaakt vertraging bij de eerste verzorging van snijwonden, kneuzingen, brandwonden, onwelwording of ander letsel. Een kleine verwonding kan hierdoor verergeren en een ernstig incident kan later worden opgeschaald dan nodig. Het risico neemt toe buiten reguliere werktijden, bij wisselende bezetting, taalverschillen en werkzaamheden in afgelegen delen van het terrein. De werkgever moet daarom bij het toelaten en inzetten van derden vooraf waarborgen dat een passende eerste-hulppost vindbaar en zonder onnodige belemmeringen bereikbaar is. Arbobesluit artikel 3.25 verlangt, wanneer de aard van de arbeid of de gevaren dit noodzakelijk maken, voldoende eerste-hulpposten met zichtbare instructies, een zichtbaar alarmnummer, noodzakelijke uitrusting en bereikbaarheid met brancards. Op gedeelde locaties moet deze voorziening ook praktisch aansluiten op de zones waar derden verblijven of werken.
- Onvoldoende eerste-hulpuitrusting voor alle aanwezige partijen — Op een gedeelde locatie kan de aanwezige eerste-hulpuitrusting uitsluitend zijn afgestemd op de eigen werknemers van de hoofdgebruiker, terwijl ook werknemers van andere werkgevers, uitzendkrachten, onderaannemers, leveranciers en bezoekers aanwezig zijn. Daardoor kunnen er te weinig verbandmiddelen of andere noodzakelijke hulpmiddelen beschikbaar zijn wanneer meerdere slachtoffers tegelijk hulp nodig hebben. Ook kan de uitrusting ongeschikt zijn voor de aard van het werk en de gevaren van andere partijen. Een verbandkoffer kan bovendien ontoegankelijk zijn buiten de gebruikstijden van één huurder, achter een afgesloten deur liggen of alleen bekend zijn bij het eigen personeel. Onduidelijkheid over beheer en aanvulling vergroot de kans dat gebruikte, ontbrekende of verlopen middelen niet tijdig worden vervangen. Bij een ongeval kost het dan extra tijd om passende hulp te verlenen of moeten hulpverleners naar een andere plaats zoeken. Hierdoor kunnen letsel en gezondheidsklachten verergeren en kan professionele hulp minder goed worden overbrugd. De werkgever moet daarom de noodzakelijke hoeveelheid, inhoud, spreiding, bereikbaarheid en beschikbaarheid beoordelen aan de hand van alle aanwezige partijen, de gezamenlijke bezetting en de gevaren van de werkzaamheden. Afspraken tussen locatiegebruikers moeten duidelijk maken wie de voorzieningen beheert, controleert en aanvult, zonder dat een werkgever zijn eigen verantwoordelijkheid voor werknemers uit het oog verliest.
- Tegenstrijdige alarmnummers bij verschillende locatiegebruikers — Op een gedeelde locatie kunnen werkgevers, onderaannemers, ingeleende werknemers en gebouwgebruikers verschillende interne alarmnummers hanteren. Medewerkers, bezoekers en leveranciers weten daardoor bij een ongeval, brand of andere noodsituatie niet welk nummer voor hun actuele werkgebied geldt. Een melding kan bij de verkeerde receptie, meldkamer of BHV-organisatie terechtkomen, waardoor informatie opnieuw moet worden doorgegeven of helemaal niet aankomt. Ook kan onduidelijkheid ontstaan over wie externe hulpdiensten belt en wie de noodorganisatie activeert. Dit vergroot de kans op dubbele, onvolledige of vertraagde meldingen. Het risico is groter wanneer partijen ruimten delen, regelmatig van werkgebied wisselen, verschillende introducties geven of tijdelijke krachten inzetten. Tegenstrijdige stickers, oude instructiekaarten en nummers in bedrijfseigen apps versterken de verwarring. Bij eerste-hulpposten moet een alarmnummer duidelijk zichtbaar zijn aangebracht. Dat nummer moet in de praktijk aansluiten op de gezamenlijke alarmeringsprocedure en bereikbaar zijn voor alle aanwezigen die het nodig kunnen hebben. Zonder afstemming kan noodzakelijke eerste hulp, ontruiming of inzet van de BHV later beginnen. Het typische gevolg is dat een incident onnodig verergert, met meer letsel, onrust en uitval als mogelijk resultaat. Iedere werkgever blijft verantwoordelijk voor de bescherming en instructie van zijn eigen werknemers en moet de afspraken met andere locatiegebruikers aantoonbaar organiseren.