Mobiele locaties en specialistische redding

## Wat speelt hier Op mobiele en tijdelijke werklocaties, zoals bouwplaatsen, installaties in aanleg, evenemententerreinen, werkzaamheden in besloten ruimten, ondergrondse werken, hoogbouwsteigers, silo's, tanks of afgelegen buitenlocaties, ontbreekt vaak de vaste infrastructuur die op een reguliere bedrijfslocatie wel aanwezig is. Er is geen vaste BHV-organisatie ter plekke, geen bekende vluchtroute, geen alarmeringssysteem dat automatisch de hulpdiensten waarschuwt, en de aanrijdtijd van de reguliere brandweer of ambulance kan sterk oplopen. Wanneer op zo'n locatie een ongeval, bekneming, val van hoogte of een incident in een besloten ruimte plaatsvindt, is snelle en deskundige hulp niet vanzelfsprekend beschikbaar. Een specifiek risico op deze locaties is dat regulier opgeleide BHV'ers niet zijn toegerust op complexe reddingssituaties: iemand bevrijden uit een verzakte sleuf, een bewusteloos slachtoffer uit een silo of tank halen, een gewonde van een mast of steiger laten zakken, of een persoon redden uit water of een besloten ruimte met gevaarlijke atmosfeer. Dit vraagt om specialistische redding met aangepaste technieken, hijs- en zekeringsmiddelen en getrainde mensen. Als die kennis en middelen niet vooraf zijn geregeld, ontstaat bij een incident een gevaarlijke vertraging waarin de situatie van het slachtoffer verder verslechtert of hulpverleners zelf risico lopen. Ook de wisselende samenstelling van teams op mobiele locaties speelt een rol: eigen medewerkers, onderaannemers en ingehuurd personeel werken naast elkaar, vaak met wisselende ploegen en korte doorlooptijden. Daardoor is niet altijd duidelijk wie ter plekke BHV-taken op zich neemt, wie de locatie kent en wie weet hoe alarmering en opschaling naar de hulpdiensten verloopt. ## Wat u moet doen - Breng voorafgaand aan elke mobiele of tijdelijke inzet de locatiespecifieke risico's in kaart, inclusief besloten ruimten, hoogteverschillen, water en beperkte bereikbaarheid voor hulpdiensten. - Beoordeel of de standaard BHV-organisatie toereikend is of dat specialistische redding nodig is, en regel dat laatste vooraf met eigen mensen of een externe partij. - Richt de locatie zo in dat risico's zoveel mogelijk worden weggenomen of afgeschermd, bijvoorbeeld door afzetting, vluchtwegen en directe toegang voor hulpverlening. - Zorg voor werkende alarmerings- en communicatiemiddelen op de locatie, afgestemd op het ontbreken van vaste infrastructuur. - Wijs per locatie of ploeg een verantwoordelijke BHV'er of coördinator aan en leg vast wie deze rol vervult tijdens elke aanwezige ploeg. - Instrueer alle aanwezigen, inclusief onderaannemers en ingeleend personeel, over vluchtroutes, verzamelplaats en alarmeringsprocedure bij aanvang van de werkzaamheden. - Zorg dat persoonlijke reddingsmiddelen, zoals harnassen, hijsmateriaal of ademlucht, aanwezig en gekeurd zijn waar collectieve maatregelen niet volstaan. - Controleer periodiek of de noodorganisatie op de locatie nog aansluit bij de actuele situatie en stuur bij wanneer de omstandigheden wijzigen. ## Toetsbare aspecten - **Locatierisicobeoordeling** — per mobiele locatie is vastgelegd welke specifieke risico's spelen en welke hulpverleningsbehoefte daaruit volgt. Bewijs: locatiespecifiek document of bijlage bij de RI&E. Frequentie: bij start van elke nieuwe locatie of ingrijpende wijziging. - **Aanwezigheid specialistische reddingscapaciteit** — waar nodig is vastgelegd wie de specialistische redding uitvoert, intern of extern, en met welke middelen. Bewijs: overeenkomst, inzetprocedure of interne aanwijzing. Frequentie: bij opstart van de locatie en jaarlijkse actualisatie. - **BHV-bezetting per locatie** — er is altijd een aangewezen BHV-verantwoordelijke aanwezig tijdens werkzaamheden. Bewijs: bezettingsrooster of aanwezigheidsregistratie. Frequentie: dagelijks of per ploegwissel. - **Alarmerings- en communicatiemiddelen** — op elke locatie is functionerende apparatuur aanwezig om hulp te alarmeren, afgestemd op bereik en dekking. Bewijs: uitgiftelijst, testregistratie of werkplekcontrole. Frequentie: bij opstart en periodiek tijdens de looptijd. - **Instructie aanwezigen** — alle medewerkers, ook onderaannemers en ingeleend personeel, hebben een locatie-instructie ontvangen over vluchtroute, verzamelplaats en alarmering. Bewijs: getekende instructielijst of toolboxregistratie. Frequentie: bij start van de werkzaamheden en bij wijziging van de locatie. - **Aanrijdtijd en bereikbaarheid hulpdiensten** — is beoordeeld en waar nodig gecompenseerd met aanvullende maatregelen. Bewijs: notitie in de locatiebeoordeling met genomen maatregelen. Frequentie: bij start van de locatie. - **Reddingsmiddelen op orde** — aanwezige reddings- en beschermingsmiddelen zijn gekeurd en direct inzetbaar. Bewijs: keuringsregistratie of certificaat van het materiaal. Frequentie: voor ingebruikname en volgens keuringstermijn. - **Oefening en evaluatie op locatie** — de noodorganisatie is beproefd op de specifieke locatiesituatie, niet alleen op papier. Bewijs: oefenverslag of evaluatie van een geoefende scenario. Frequentie: bij langdurige inzet minimaal jaarlijks, bij kortdurende projecten bij start. ## Veelvoorkomende knelpunten - De BHV-organisatie is beschreven voor de vaste vestiging, maar niet vertaald naar de situatie op een mobiele of tijdelijke locatie. - Er is geen registratie van wie op een specifieke locatie de BHV-rol vervult, waardoor bij een incident onduidelijk is wie de leiding neemt. - Ingeleend personeel en onderaannemers krijgen geen locatie-instructie omdat de aannemersketen ervan uitgaat dat een ander dit al heeft gedaan. - Specialistische reddingscapaciteit is wel benoemd in een plan, maar in de praktijk niet daadwerkelijk beschikbaar of niet getest op de locatie zelf. - Leidinggevenden ter plekke zijn onvoldoende getraind om bij een incident direct te schakelen met de reguliere hulpdiensten. - Na afloop van een incident of oefening vindt geen evaluatie plaats, waardoor knelpunten in de noodorganisatie niet worden opgelost voor de volgende locatie. ## Hoe u het borgt Wijs een verantwoordelijke aan, bijvoorbeeld een projectleider of locatieverantwoordelijke, die voor elke mobiele locatie controleert of de noodorganisatie is ingericht, geïnstrueerd en getest voordat de werkzaamheden starten. Neem de beoordeling van BHV en specialistische redding standaard op in de opstartprocedure van een nieuw project, zodat dit niet afhankelijk is van toeval of ervaring van individuele medewerkers. Laat de verantwoordelijke periodiek, en zeker bij wijziging van de locatie of samenstelling van het team, controleren of de bezetting, middelen en instructies nog kloppen, en leg afwijkingen en bijsturing vast. Zorg dat nieuwe medewerkers, onderaannemers en ingeleend personeel bij binnenkomst standaard de locatie-instructie krijgen voordat zij aan het werk gaan. Door dit proces vast te leggen en herhaaldelijk te toetsen, blijft de noodorganisatie ook op wisselende en tijdelijke locaties aantoonbaar op orde.

Risico's