Gebruik van ladders en trappen
## Wat speelt hier Ladders en trappen zijn de meest gebruikte arbeidsmiddelen voor kortdurend werk op hoogte: het vervangen van een lamp, het schoonmaken van een raam, het bereiken van een hoger gelegen stellingvak in het magazijn, onderhoudswerk aan installaties of het uitvoeren van kleine klussen door de technische dienst. Juist omdat een ladder of trapje overal in de organisatie voorhanden is en snel gepakt wordt, ontstaat het risico dat het middel wordt gebruikt voor werk waarvoor het niet geschikt is: langdurig werk, werk met twee handen tegelijk, werk met gereedschap of zware lasten, of werk op grote hoogte waarvoor eigenlijk een steiger, hoogwerker of bordes nodig is. Het gezondheids- en veiligheidsrisico is vooral vallen van hoogte, met kans op botbreuken, hoofdletsel of erger, en daarnaast omvallen van de ladder door een ongeschikte ondergrond, een verkeerde opstelhoek of een beschadigd exemplaar. Dit speelt op locaties als magazijnen, technische ruimtes, bouw- en onderhoudsprojecten, keukens en horecagelegenheden, en bij facilitaire werkzaamheden zoals glazenwassen of het ophangen van decoratie. Ook ingeleend personeel en onderaannemers gebruiken regelmatig eigen of ter plekke aangetroffen ladders zonder dat de organisatie zicht heeft op de staat of geschiktheid daarvan. ## Wat u moet doen - Beoordeel per taak eerst of een ladder of trap wel het juiste middel is, of dat de bron van het risico weggenomen kan worden door de klus anders te organiseren, zoals werk vanaf de vloer of via een vast bordes. - Kies bij onvermijdelijk werk op hoogte voor een veiliger collectief alternatief boven een ladder, zoals een steiger, rolsteiger of hoogwerker, wanneer de duur, herhaling of aard van het werk daarom vraagt. - Stel een intern beleid vast voor wanneer een ladder of trap wel en niet gebruikt mag worden, inclusief maximale werkhoogte en -duur. - Richt een keuringsproces in voor alle ladders en trappen in de organisatie, met een uniek kenmerk per exemplaar en een vaste keuringstermijn. - Leg de keuringsresultaten en afkeur van ondeugdelijke middelen vast in een register dat actueel wordt gehouden. - Instrueer medewerkers over veilig gebruik: juiste opstelhoek, stabiele ondergrond, vastzetten, drie steunpunten en niet werken met beide handen vol. - Controleer periodiek op de werkvloer of instructies daadwerkelijk worden nageleefd en of afgekeurde ladders niet alsnog in gebruik zijn. - Zorg dat waar nodig persoonlijke valbeveiliging beschikbaar is als aanvullende maatregel, niet als vervanging van een betere werkmethode. ## Toetsbare aspecten - **Beleid op middelkeuze** — vastgelegd criterium wanneer een ladder toegestaan is en wanneer een ander arbeidsmiddel verplicht is. Bewijs: schriftelijk beleidsdocument of werkinstructie. Frequentie: jaarlijks herzien. - **Keuringsregister ladders en trappen** — overzicht van alle aanwezige ladders en trappen met keuringsdatum en resultaat. Bewijs: keuringsregister of sticker/label op het middel met keuringsdatum. Frequentie: volgens vastgestelde keuringstermijn, minimaal jaarlijks. - **Fysieke staat van het middel** — afwezigheid van zichtbare schade zoals scheuren, verbogen sporten of versleten antislipvoetjes. Bewijs: waarneming op de werkplek tijdens inspectie. Frequentie: bij elke inspectieronde. - **Afkeur en uit gebruik name** — afgekeurde ladders zijn direct herkenbaar gemaakt en niet meer beschikbaar voor gebruik. Bewijs: afkeursticker of fysieke verwijdering, vastgelegd in het register. Frequentie: direct bij constatering, gecontroleerd bij elke inspectie. - **Instructie medewerkers** — medewerkers die met ladders werken hebben een instructie over veilig gebruik ontvangen. Bewijs: ondertekende instructielijst of trainingsregistratie. Frequentie: bij indiensttreding en bij wijziging van de instructie. - **Werkplekbeoordeling vooraf** — voor werk op hoogte wordt vooraf beoordeeld of de ladder geschikt is voor de ondergrond en de taak. Bewijs: toolboxverslag, werkplekinspectieformulier of aantekening in het werkoverleg. Frequentie: bij aanvang van elke klus op hoogte. - **Naleving op de werkvloer** — medewerkers gebruiken de ladder volgens instructie, inclusief opstelhoek en vastzetten. Bewijs: waarneming tijdens werkplekinspectie of veiligheidsronde. Frequentie: periodieke rondes, minimaal per kwartaal. - **Beheer van ingeleend en extern materieel** — ladders van derden of ingeleend personeel voldoen aan dezelfde keuringseis voordat ze op locatie gebruikt worden. Bewijs: aanvullende afspraak in het inleen- of inkoopcontract, of controle bij toegang. Frequentie: bij start van elke opdracht met externen. - **Opvolging van meldingen en incidenten** — meldingen over gebrekkige ladders of bijna-ongevallen leiden aantoonbaar tot actie. Bewijs: incidentenregistratie met afhandeling en datum. Frequentie: direct bij melding, review per kwartaal. ## Veelvoorkomende knelpunten - Beleid staat op papier, maar op de werkvloer wordt de dichtstbijzijnde ladder gepakt zonder te kijken naar geschiktheid of keuringsstatus. - Er is geen centraal register, waardoor niemand weet hoeveel ladders er zijn, waar ze staan en wanneer ze voor het laatst gekeurd zijn. - Leidinggevenden zijn niet getraind om onveilig laddergebruik te herkennen of bespreekbaar te maken, waardoor instructies wel bestaan maar niet gehandhaafd worden. - Ingeleend personeel en onderaannemers werken met eigen ladders die buiten het zicht en de keuring van de organisatie vallen. - Afgekeurde ladders worden niet fysiek verwijderd en blijven per ongeluk in gebruik. - Meldingen over beschadigde ladders of bijna-ongevallen worden niet structureel opgevolgd, waardoor hetzelfde risico blijft bestaan. ## Hoe u het borgt De verantwoordelijkheid voor het beheer van ladders en trappen ligt bij een aangewezen beheerder of de leidinggevende van de afdeling die de middelen gebruikt, met periodieke afstemming met de preventiemedewerker of arbo-coördinator. Werkplekinspecties en de controle van het keuringsregister vinden minimaal ieder kwartaal plaats, met directe bijsturing zodra een afwijking wordt geconstateerd, zoals het uit gebruik nemen van een beschadigd exemplaar of het herhalen van een instructie. Nieuwe medewerkers krijgen de instructie bij indiensttreding, en bij de inzet van derden of ingeleend personeel wordt vooraf vastgelegd dat hun materieel aan dezelfde keuringseis voldoet voordat het op locatie gebruikt mag worden. Zo blijft het gebruik van ladders en trappen niet beperkt tot een beleidsdocument, maar is het zichtbaar terug te vinden in registraties, instructies en dagelijkse controles op de werkvloer.
Risico's
- Aanrijding of hinder door een onveilige opstelplaats — Een ladder of trap die in een verkeersroute, deuropening, doorgang of werkzone staat, kan worden geraakt door voetgangers, intern transport, deuren of verplaatsbare arbeidsmiddelen. Ook kan het arbeidsmiddel zelf de doorgang belemmeren, waardoor anderen moeten uitwijken of tegen de ladder of trap botsen. De gebruiker kan daardoor zijn evenwicht verliezen of samen met het arbeidsmiddel vallen. Dit risico speelt onder meer in magazijnen, technische ruimten, keukens, horecagelegenheden en bij facilitaire of onderhoudswerkzaamheden. Het betreft eigen werknemers, ingeleend personeel en onderaannemers, maar ook collega's en bezoekers die langs de opstelplaats komen. De werkgever moet voorkomen dat verkeer en werkzaamheden de stabiliteit tijdens het gebruik aantasten. Arbobesluit artikel 7.23a verlangt dat ladders en trappen zo worden geplaatst dat hun stabiliteit bij gebruik steeds is gewaarborgd. Zonder voorafgaande keuze van een veilige opstelplaats kunnen aanrijding, onverwachte beweging, schrikreacties en valgevaar ontstaan. Typische gevolgen zijn kneuzingen, verstuikingen, snijletsel en botbreuken, met mogelijk verzuim. Bij een hogere val kunnen hoofdletsel en ernstiger letsel optreden. Een korte klus rechtvaardigt daarom niet dat een ladder of trap zonder afscherming of verkeersmaatregelen in een actieve route wordt opgesteld.
- Gebruik van een beschadigde ladder of trap — Een beschadigde ladder of trap kan tijdens het beklimmen of werken onvoldoende stabiel zijn. Denk aan verbogen bomen, gebroken of losse sporten, beschadigde voeten, speling in scharnieren of een niet goed werkende spreidbeveiliging. Door belasting kan het gebrek plotseling verergeren, waardoor het arbeidsmiddel verschuift, inklapt of zijn draagfunctie verliest. De gebruiker kan dan van hoogte vallen of samen met de ladder of trap omvallen. Dit risico speelt bij facilitaire werkzaamheden, onderhoud, magazijnwerk, schoonmaak, horeca en kleine technische klussen. Ook ingeleende werknemers en onderaannemers kunnen een eigen ladder meenemen of een ter plaatse aanwezig exemplaar gebruiken zonder dat de staat daarvan vooraf is vastgesteld. Een val kan leiden tot kneuzingen, verstuikingen, botbreuken, hoofdletsel en langdurige arbeidsuitval. Omstanders kunnen bovendien worden geraakt door de vallende gebruiker, ladder of meegenomen materialen. De werkgever moet voorkomen dat een beschadigd exemplaar beschikbaar blijft voor gebruik en moet het werk zo organiseren dat gebreken vóór inzet worden herkend. Alleen een ladder of trap neerzetten op een geschikte ondergrond is onvoldoende wanneer de constructie, voeten of beveiligingen zelf niet betrouwbaar zijn. Zonder duidelijke afkeur-, meld- en vervangingsprocedure bestaat het risico dat een zichtbaar of verborgen gebrek wordt genegeerd en hetzelfde arbeidsmiddel opnieuw wordt gebruikt.
- Omvallen door instabiele plaatsing of ongeschikte ondergrond — Een ladder of trap kan tijdens het beklimmen of werken omvallen wanneer de steunpunten niet op een stabiele, stevige, onbeweeglijke en voldoende grote ondergrond staan. Oneffen vloeren, zachte bodem, losse materialen, niveauverschillen of een geïmproviseerde verhoging kunnen ervoor zorgen dat het arbeidsmiddel scheef staat, wegzakt of kantelt. Dit risico komt voor bij onderhoud, magazijnwerk, schoonmaak, technische werkzaamheden, horeca en facilitaire klussen. Het betreft eigen werknemers, ingeleend personeel en onderaannemers die een aanwezige of zelf meegebrachte ladder of trap gebruiken. De werkgever moet volgens Arbobesluit artikel 7.23a ladders en trappen zo plaatsen dat hun stabiliteit tijdens het gebruik steeds is gewaarborgd. Daarbij moeten de steunpunten van draagbare ladders en trappen rusten op een stabiele, stevige en onbeweeglijke ondergrond van voldoende omvang, zodat de sporten horizontaal blijven. Zonder een taakbeoordeling en controle van de opstelplaats kan een ogenschijnlijk eenvoudige, kortdurende klus leiden tot kantelen en een val van hoogte. Typische gevolgen zijn kneuzingen, verstuikingen, botbreuken en hoofdletsel, met mogelijk langdurige uitval. Het risico neemt toe wanneer snel wordt gewerkt, de ondergrond vooraf niet wordt vrijgemaakt of een ladder wordt gebruikt waar werk vanaf de vloer, een vast bordes, steiger of hoogwerker veiliger uitvoerbaar is.
- Verlies van houvast tijdens het klimmen of werken — Bij het beklimmen van of werken op een ladder of trap kan een werknemer het contact met sporten, treden of stijlen verliezen. Dit gebeurt vooral wanneer iemand met materialen of gereedschap in de handen klimt, zijwaarts reikt, zich omdraait of tijdens het werk beide handen nodig heeft. Ook haast, afleiding, vermoeidheid, gladde handen of vervuild schoeisel kunnen de grip en balans verminderen. Het risico komt voor bij onder meer magazijnwerk, technisch onderhoud, schoonmaak, glazenwassen, het vervangen van verlichting en het ophangen van decoratie. Naast eigen werknemers kunnen ingeleende medewerkers en onderaannemers worden blootgesteld, vooral wanneer onduidelijk is welke werkwijze en welk arbeidsmiddel zijn toegestaan. Verlies van houvast kan leiden tot een val op de vloer, tegen inventaris of op lager gelegen delen. Typische gevolgen zijn kneuzingen, verstuikingen, snijwonden en botbreuken; bij een val van grotere hoogte is ernstig hoofd- of rugletsel mogelijk. Zonder duidelijke keuzecriteria en toezicht wordt een ladder gemakkelijk gebruikt voor werk dat te lang duurt, te veel reiken vraagt of niet met voldoende steunpunten kan worden uitgevoerd. De werkgever moet daarom eerst voorkomen dat klimmen nodig is en, als dat niet kan, een werkmethode kiezen waarbij de werknemer tijdens gebruik veilig houvast kan behouden.
- Wegglijden door onvoldoende vastzetten van ladder of trap — Een draagbare ladder of trap kan tijdens het beklimmen of werken wegglijden wanneer de voet of bovenzijde niet doeltreffend is vastgezet. De kans hierop neemt toe bij een gladde, vuile of vochtige vloer, onvoldoende stroef contact, zijwaartse belasting, beweging van de gebruiker of een bevestigingspunt dat de krachten niet kan opnemen. Ook een ogenschijnlijk stabiele opstelling kan verschuiven zodra iemand op- of afstapt, reikt of materiaal meeneemt. Dit risico komt voor bij onderhoud, schoonmaak, magazijnwerk, technische werkzaamheden, het vervangen van verlichting en het ophangen van voorwerpen. Eigen werknemers, ingeleende medewerkers en onderaannemers kunnen worden getroffen, vooral wanneer zij snel een beschikbare ladder pakken zonder voorafgaande taak- en opstellingscontrole. Bij wegglijden verliest de gebruiker plotseling steun en kan deze met de ladder vallen of tegen vloeren, installaties, stellingen of andere obstakels terechtkomen. Mogelijke gevolgen zijn kneuzingen, verstuikingen, botbreuken, hoofdletsel en arbeidsuitval. De werkgever moet daarom eerst voorkomen dat de ladder nodig is en, als gebruik onvermijdelijk is, zorgen voor een stabiele opstelling en een doeltreffende beveiliging tegen verschuiven. Zonder duidelijke voorzieningen en werkafspraken blijft veilig gebruik afhankelijk van improvisatie en individuele inschatting.